5 min

10 min

15 min

(typ bijvoorbeeld: Typhoon, technologie, 5 minuten, NRC, reportage)

De vrijwilligers die Amerika weer groots wilden maken

tekst: Rens Lieman, Nieuwe Revu

zoeken

esc om te sluiten    z om te openen

Nieuwe Revu

november 2016

tekst

Rens Lieman

leestijd

13 minuten

De strijd om het Amerikaanse presidentschap is spannender dan verwacht. Vrijwilligers kunnen het verschil maken tussen een Clinton of een Trump in het Witte Huis. Nieuwe Revu ging met hen mee, deur tot deur, in een van de sleutelstaten van deze verkiezingen. (Nieuwe Revu, november 2016)

Een bus vol vrijwilligers rijdt zondagochtend vroeg weg bij het hoofdkwartier van de Hillary Clinton-campagne in Brooklyn, New York. Illustrator Ryan Falkner (41) trekt zijn tupperware-bakje open. ‘Koekje? Mijn moeder heeft ze gebakken.’

We rijden naar Pennsylvania om daar langs de deuren te gaan om inwoners aan te moedigen op Clinton te stemmen in de aankomende Amerikaanse presidentsverkiezingen. Pennsylvania is een zogenaamde fly over-state: niet zo in trek onder (Amerikaanse) toeristen, je vliegt er liever overheen om op een interessantere plek te belanden. In politieke context is Pennsylvania wel interessant. Het is namelijk ook een battleground-state, een staat waar het relatief onzeker is of de meeste stemmen naar een Democraat of Republikein gaan, en het dus voor beide partijen loont om voor elke stem te vechten. Datajournalisten van de Amerikaanse site FiveThirtyEight hebben berekend dat de kans het grootst is dat de uitkomst in Florida van doorslaggevende invloed zal zijn op het landelijke eindresultaat (zoals geschiedde in 2000, toen George W. Bush er nipt won). Op plek twee in die lijst staat Pennsylvania.

Op de interstate-snelweg begint onze training. Een betaalde kracht van het campagneteam pakt de microfoon. ‘Houd straks het script aan als leidraad, maar vertel vooral een persoonlijk verhaal: waarom steun jij Hillary?’ Het is niet de bedoeling dat we negatief over Donald Trump praten, Clintons tegenstander. Wel mogen we uitleggen hoe zij inhoudelijk verschillen. ‘Vooral de thema’s abortus en wapenbezit zullen mensen in Pennsylvania aan het hart gaan,’ denkt de medewerker.

Het is niet de bedoeling dat we negatief over Donald Trump praten. Wel mogen we uitleggen hoe zij inhoudelijk verschillen.

Ons doel vandaag is drieledig: nieuwe kiezers registreren (alleen geregistreerde kiezers mogen in Pennsylvania op 8 november stemmen), in kaart brengen waar en in welke mate ‘onze leider’ steun geniet (zodat de campagne weet waar straks nog een duwtje in de goede richting gegeven moet worden) en mensen een intentiekaartje laten tekenen (zij die nu aangeven van plan te zijn op Clinton te stemmen, zullen daar met dat kaartje op verkiezingsdag aan worden herinnerd - komen we zo op). Oh, en we moeten de datum van de verkiezing ‘er in rammen bij iedereen die de deur open doet’. ‘Nog maar zeven weken. Eng hè?’


De groep vrijwilligers is gevarieerd, al zijn er meer dertigers dan twintigers en veertigers, meer vrouwen dan mannen, meer blanken dan zwarten. Een enkeling heeft zich thematisch aangekleed: een dame op leeftijd draagt een Hillary-blauw jasje, een twintiger een wit T-shirt met de opdruk ’POTUS’ (President of the United States), waar het vrouwelijke seksesymbool de O vervangt. Toen Eugene McCarthy in 1968 een gooi deed naar het presidentschap, scheerden sommige van zijn hippie-aanhangers hun baard en lange haar af om er netjes uit te zien tijdens het vrijwilligerswerk (‘Getting clean for ‘Gene’, in de volksmond). Ik geloof niet dat de Clinton-vrijwilligers in deze bus zich voor de gelegenheid gegroomd hebben.

Bernie Sanders-vrijwilliger Gary West (35) uit Texas. Foto: Rens Lieman

De meeste vrijwilligers zijn gelegenheidsvrijwilligers. Op de campagnekantoren heb je meer kans om de harde kern te treffen. Toen Bernie Sanders nog in de race was om de Democratische presidentskandidaat te worden, sprak ik op zo’n kantoor Gary West (35) uit Texas. In Houston meldde West zich dagelijks na werktijd bij het plaatselijke Sanders-kantoor om zich nuttig te maken. Hij deed typisch vrijwilligerswerk: mensen bellen om ze naar de stembus te krijgen, andere vrijwilligers werven of helpen, kiezers registreren op evenementen, posters ophangen. Hij werkte veel en tot laat, wat zijn tol eiste op zijn betaalde baan in de verzekeringsindustrie - hij werd ontslagen. ‘Prima, ik wilde er toch niet meer werken. Ik had net het gevoel dat Sanders de wereld kon veranderen en ik daarbij aan het helpen was.’ West reisde daarop - meestal met een zelf gekocht busticket - als vrijwilliger mee met het campagnecircus, dat zich van staat naar staat verplaatste. ‘Ik ben een activist. Ik kende Sanders en zijn standpunten. Toen hij zijn kandidatuur aankondigde, dacht ik: I’ve got to get on board. Hoe meer ik als vrijwilliger deed, hoe meer ik realiseerde hoe belangrijk het was. Ik zag mensen die ik had gesproken, terugkomen op de bijeenkomsten. Ik dacht: wow, het heeft echt zin.’ Bernie Sanders zelf heeft West nooit gezien. Sanders verloor de interne strijd met Clinton. 

In 2008 won Barack Obama de verkiezingen. Los van de kandidaat en zijn boodschap van hoop, wordt die overwinning grotendeels toegeschreven aan hoe zijn campagneteam slim gebruik maakte van digitale communicatiemiddelen: Facebook, sms’jes en een voor de campagne ontwikkeld sociaal netwerk voor supporters en vrijwilligers. Daarmee werd niet alleen veel geld opgehaald, maar werden ook veel vrijwilligers geworven. Op my.barackobama.com konden Obama-aanhangers zich aanmelden als vrijwilliger, zelf evenementen opzetten en vrijwilligersgroepen aanmaken. Dat werd massaal gedaan. En doordat 2 miljoen mensen een profiel aanmaakte in de app, kon de campagne al die supporters gemakkelijk bereiken om ze op te roepen te gaan stemmen, doneren of werken.


Ik had net het gevoel dat Sanders de wereld kon veranderen en ik daarbij aan het helpen was.

Terug naar de race van 2016. In de training in de bus werd nauwelijks gesproken over Clintons standpunten. Bij mijn aanmelding een paar dagen eerder werd niet gevraagd naar mijn kennis van politieke zaken. Ik vraag mijn buurman Ryan of hij enige vorm van huiswerk heeft gedaan. Hij heeft zich niet speciaal voor deze dag verdiept in de standpunten, zegt hij, maar kent ze wel op hoofdlijnen. Binnen de thema’s die hij belangrijk vindt, ook in detail. Ryan was in 2008 een van die Obama-vrijwilligers. Hij belde mensen vanuit een lokaal campagnekantoor. ‘Ik neem verkiezingen serieus, net als het gegeven dat je moet werken voor democratie. Je kunt niet achterover leunen en verwachten dat alles vanzelf gaat. Verkiezingen zijn een teamsport: twee teams die van elkaar willen winnen. Als je mee doet, kan het voelen alsof het meer om het team gaat dan om de kandidaat.’

We arriveren bij Clinton’s Pennsylvania hoofdkwartier in Philadelphia. Opnieuw training, dit keer een rollenspel. Een goede eerste zin, leren we, is: ‘Hi, I’m ___, I’m volunteering for the Democratic Party in Pennsylvania. Can Hillary Clinton count on your support?’. De reactie daarop beoordelen we straks op een schaal van 1 tot 5, waarbij 1 staat voor onvoorwaardelijke steun voor Clinton en 5 voor een zekere stem op Trump. Aan vijfjes moeten we onze tijd niet verspillen. Bij 2 tot en met 4 kunnen we doorvragen: waar zit de twijfel? Eentjes vragen we een commit to vote-kaartje te ondertekenen waarop staat: ‘Ik zal stemmen op Hillary Clinton’. Een afscheursel kunnen mensen op hun koelkast hangen, ‘zodat ze elke dag even aan Hillary denken’, het kaartje krijgen ze ter herinnering per post opgestuurd op de dag van de verkiezingen.

Deur tot deur in middenstandsbuurt Overhook Park in West-Philadelphia, Pennsylvania.

Rond het middaguur gaan we de straat op. Iedereen krijgt een adressenlijst, registratieformulieren, flyers en intentiekaartjes. In groepjes van vier nemen we Ubers naar de aan ons toegewezen wijken. Elke vrijwilliger doet pakwerk dertig targeted knocks, verdeeld over vijf straatblokken. Bij een targeted knock klop je aan bij een huishouden waar tenminste een inwoner als Democraat geregistreerd staat. Alle andere huizen in de straat doen we ook aan, de blind knocks.

Mijn wijk is Overhook Park, een middenstandsbuurt in West-Philadelphia met een grotendeels zwarte bevolking. De straten lijken op elkaar: rijtjeshuizen met een voortuin, een trapje of heg die naar de voordeur leidt, bordje in de tuin dat aangeeft welk alarmsysteem er binnen is geïnstalleerd, tuinset, barbecue. De deuren waarop ik klop blijven grotendeels dicht. Er is een American Football-wedstrijd op tv vandaag. En het is zondag, sommigen zijn nog in de kerk. De inwoner met een stikker van de National Rifle Association op zijn voordeur is ook niet thuis. Soms zie ik iemand door de luxaflex of langs het gordijntje gluren. Mijn klembord is vast een reden om niet open te doen.

Wie wel thuis is en open doet, de minderheid, is meestal een Clinton-aanhanger. Of nou ja, ‘I’ll sure as shit ain’t gonna vote for that Trump.’ Iedereen zegt reeds geregistreerd te zijn (‘Dat vinden we belangrijk in deze buurt’). Met de enthousiastelingen high five of boks ik. Hen vraag ik ook het intentiekaartje te ondertekenen. Tien doen dat er. Ik vergeet, misschien bewust, ze te vragen om het afscheursel op hun koelkast te plakken. Mijn partner Ryan hoor ik aan de overkant van de straat. Hij oogt energiek, precies zoals ons werd geinstrueerd. Eén bewoner kreeg kippenvel toen hij over de verkiezingen begon, vertelt Ryan me later. Ik spreek een paar mensen die nog twijfelen of ze gaan stemmen, en of ze dat dan op Clinton zullen doen. Geen van hen zit te wachten op een potje fijn discussiëren met mij. Later hoor ik dat haast niemand over de inhoud heeft gepraat. Ik tref voorts één uitgesproken Republikein. Een vriendelijke man, maar ik ben getraind om mijn tijd niet aan hem te verspillen.

Ik tref één uitgesproken Republikein. Een vriendelijke man, maar ik ben getraind om mijn tijd niet aan hem te verspillen.


Twee universitair docenten, Ryan D. Enos (Harvard) en Eitan D. Hersh (Yale) plaatsten in een artikel in de American Political Science Review in 2014 kanttekeningen bij vrijwilligerswerk in politieke campagnes. Het verschil tussen vrijwilliger en het electoraat is vaak te groot, schrijven ze. ‘Het liefst zou je fabriekswerkers of suburban moms als vrijwilliger inzetten in wijken waar veel soortgelijke mensen wonen. Maar dat zijn meestal niet de mensen die zich aanmelden als vrijwilliger.’ Enos en Hersh hadden gekeken naar vrijwilligers voor de Obama-campagne in 2012. Die waren doorgaans beter onderwezen, sociaal-liberaler, blanker en rijker dan de mensen bij wie zij aanklopten. Hoewel het moeilijk meetbaar is, concluderen de onderzoekers dat die kloof een negatieve invloed heeft op de effectiviteit van het vrijwilligerswerk. (Nieuwe Revu stelde beide campagnes vragen hierover maar kreeg geen antwoord.)

Margaret Savage, een ervaren vrijwilliger die is ingedeeld in mijn groepje, bekijkt het nuchter: ‘Als er ook maar één persoon naar de stembus gaat omdat-ie daartoe door mij is aangemoedigd, dan heb ik mijn stem in de verkiezingen verdubbeld. Daarom doe ik het.’ Een extraatje, op het persoonlijke vlak: ‘Ik ontmoet door dit werk mensen uit andere sociale kringen. Dat vind ik waardevol.’ Margaret begon met politiek vrijwilligerswerk in 2004. ‘Ik baalde dat George W. Bush in 2001 president werd. Twee jaar later begon de Irak-oorlog. Ik móést iets doen.’ Ze is vaker in Pennsylvania van deur tot deur gegaan. ‘Mensen hier zijn altijd vriendelijk’, zegt ze. ‘Ze zijn het gewend. Als je in Pennsylvania woont, wéét je dat er in september vrijwilligers door je straat lopen.’ Op verkiezingsdag is het het leukst. ‘Dan voel je de energie, de urgentie - meer nog dan vandaag.’

Als er ook maar één persoon naar de stembus gaat vanwege mij, dan heb ik mijn stem in de verkiezingen verdubbeld.

Om zes uur zijn we terug in het campagnekantoor en doen we verslag door een formuliertje in te vullen. Ik heb op 72 deuren geklopt, meer blind dan gericht, en 10 ondertekende commit to vote-kaartjes verzameld. Een gemiddelde opbrengst. Dit was het, krijgen we te horen, maar wie wil kan nog een lijst telefoonnummers pakken en via de telefoon kiezers registreren of aansporen. Een enkeling doet dat. Ik pak een pizzapunt en laat mij door een medewerker vertellen dat er dit weekend namens de Clinton-campagne op twaalfduizend deuren is geklopt. ‘Het is echt waar, elke knock helpt’. 


Terug in New York meld ik me uit journalistiek plichtsbesef online aan als vrijwilliger voor Donald Trump. Daarop hoor ik niets. Een agenda met activiteiten in de buurt voor vrijwilligers ontbreekt op Trumps website. De lift naar het campagnekantoor in de Trump Tower in New York wordt bewaakt, naar binnen lopen zonder een afspraak kan niet. Er zijn überhaupt relatief weinig plaatselijke campagnekantoren. Begin september waren er maar twee open in Pennsylvania. In Florida één, net als in North Carolina. Drie ‘mobiele kantoren’ zou je daar bij op kunnen tellen, de Trump RV’s. Clinton had in die drie sleutelstaten destijds bij elkaar honderd kantoren. (Beide kandidaten hebben inmiddels aanzienlijk meer kantoren geopend.)

Trump is een onconventionele kandidaat, zijn manier van campagne voeren is dat ook: weinig aandacht en geld voor de toch zo belangrijk geachte ground game (campagne voeren op microniveau, in de wijken en met mensen uit de gemeenschap), wel veel grootschalige bijeenkomsten in sportstadions waar Trump speeches houdt. ‘We hebben in Florida in twee weken tijd vier bijeenkomsten georganiseerd die bij elkaar door 40.000 mensen zijn bezocht. Dat is hetzelfde als op 40.000 deuren kloppen,’ zegt Trump-strateeg in Florida Karen Giorno in een interview met PBS News.

Chris Cillizza, politiek verslaggever van de Washington Post, vindt dat onverstandig. In een opiniestuk schrijft hij: ‘Trump kreeg veel stemmen in de voorverkiezingen, maar in de algemene verkiezingen moet je tientallen miljoenen mensen meer bereiken. Daarvoor heb je een infrastructuur nodig die je in staat stelt mensen te vinden die op je willen stemmen of daar naar neigen. Daarna moet je ze ook nog eens naar de stembus krijgen. Daarom heb je lokale kantoren, zodat mensen die voor de campagne werken in de voor jou relevante wijken in aanraking komen met de inwoners daar. Telefonisch, voor de supermarkt, via een flyer tussen de deur… zo vaak als mogelijk contact.’

Inmiddels lijkt de koers van het kamp-Trump onder aanvoering van de twee nieuwe kopstukken Kellyanne Conway en Steve Bannon iets te zijn veranderd. Tegen CNN zegt Conway dat ze ‘investeert in de basis’ en ze wel degelijk iets ziet in ‘conventionele middelen’. (Op het moment van schrijven zijn er 27 kantoren open in Florida om Trump aan de overwinning te helpen.)

Er zijn namens Trump geen activiteiten waar ik als vrijwilliger (laat staan als verslaggever) aan mee kan doen, dus meld ik mij aan voor het belwerk. Bellen kan vanuit huis. Je wordt gescreend noch getraind. Alles wat je moet weten staat in het script, je hoeft niet Trumps standpunten te kennen, wordt mij verteld als ik contact zoek met een medewerker. Mijn taak is simpel: identificeren wie voor Trump is en wie voor Clinton. Ik dien niet in discussie te gaan met kiezers.

Weet je, ik zou zo graag willen dat Trump niet al die onhandige dingen zegt.

Opnieuw zijn inwoners van Pennsylvania de klos, al bel ik naar andere steden dan die waar ik een week eerder voor Clinton de evangelie verspreidde. In mijn script staan vragen als ‘Als u nu zou kunnen stemmen, op wie zou u dat dan doen?’; ‘Vind u dat het beleid van Obama moet worden doorgezet of moet veranderen?’; ‘Waarover twijfelt u nog? De economie, binnenlandse veiligheid, crooked politicians?’

De applicatie (‘Trump Talk’) belt elke keer een nieuwe inwoner, tussendoor klinkt toegankelijke, klassiek muziek. Verdeeld over twee weekenddagen bel ik 159 mensen. De app beloont je met onderscheidingen: ‘Apprentice’ bij 25+, ‘Patriot’ bij 100+, ‘Big League’ bij 5.000+. Van Ryan had ik al begrepen dat phone banking, zoals dit werk in jargon heet, ‘een allegaartje’ is. ‘Je zult een paar enthousiaste aanhangers spreken - zij maken het de moeite waard. Maar het merendeel is niet bereikbaar of hangt op.’

Ik spreek inderdaad maar zeven mensen, de rest drukt weg of is niet thuis - zij krijgen automatisch een voice mail-bericht. Drie hangen er op als ik mij zoals het script voorschrijft voorstel als ‘vrijwilliger voor Donald J. Trump for President’ (‘No, no, forget about that!’). Van drie anderen had ik een verkeerd nummer. Eén blijft er aan de lijn: John, een voormalig begrafenisondernemer, zo leer ik uit ons gesprek. Met hem doorloop ik de vragen. Hij zucht bij de eerste, op wij hij zal stemmen: ‘In ieder geval niet voor Hillary Clinton, zoveel is zeker.’ Ja, John zal op Trump stemmen. Want nee, hij vindt ‘absoluut niet’ dat Obama’s beleid mag worden voortgezet. ‘Ik vind dat iedereen die in dit land werkt, belasting moet betalen, maar misschien is dat een onrealistische wens.’ John’s zucht was omdat hij niet enthousiast is over Trump. ‘Weet je, ik zou zo graag willen dat hij niet al die onhandige dingen zegt, net op momenten dat hij voor staat in de peilingen.’ Ik zeg te snappen wat John bedoelt. Wil hij in ieder geval ook met tenminste vijf van zijn vrienden praten over de verkiezingen, zodat we samen Amerika weer groot kunnen maken? Dat wil hij. Hij doet eigenlijk al niet anders. ‘Grappig, je bent de eerste campagnevrijwilliger die ik spreek.’ Vast niet de laatste.

 / 

       rens@renslieman.nl
Rens Lieman is freelance journalist. Zijn werk verschijnt onder meer in NRC Next, Het Parool, Esquire, ELLE en Nieuwe Revu. Lees hier meer verhalen.

meer reportages