5 min

10 min

15 min

(typ bijvoorbeeld: Typhoon, technologie, 5 minuten, NRC, reportage)

Typhoon: eindelijk op het droge

tekst: Rens Lieman, Esquire   |    fotografie: Casper Rila

zoeken

esc om te sluiten    z om te openen

Esquire

april 2015

tekst

Rens Lieman

fotografie

Casper Rila

leestijd

14 minuten

Hoe een kind van de hiphop de dominee van de liefde werd, en zo zichzelf weer terugvond. (Esquire, april 2015)

'Om te begrijpen wie je bent, en wie je gaat zijn, moet je eerst uitzoeken wie je was.' Typhoon, rapper uit ’t Harde, Gelderland, is een denker. Een filo­soof. Hij leert niet, maar ziet in. Gelooft, maar is niet religieus. Kijkt niet, maar voelt.

Vandaag, in een nog leeg openluchtzwembad in Zwolle, daags voordat de lente intreedt, is het gevoel goed. Typhoon komt zonder gevolg naar de fotoshoot. Hij groet met brede lach. Drie dagen nog maar is hij terug van zijn reis naar Suriname. De sporen daarvan zijn nog zichtbaar op de hiel en zool van zijn voeten: er zit een dun zoutlaagje op de huid. ‘Iets te lang in de rivier gestaan.’

In Suriname hebben Typhoon en band opgetreden met Lobi Da Basi­-materiaal, het veelgeprezen laatste album dat ‘onvoorstelbaar hard is gegaan’ in Nederland, maar in Suriname zijn oorsprong vond. Op de laatste dag van zijn reis ging Typhoon terug naar de plek waar hij de titel van zijn album vond: Menimi Djemongo, een junglevakan­ tieoord op een klein schiereiland. Op een bordje op een houten huis­ je aldaar stonden de woorden lobi da basi, Sranantongo voor liefde is de baas. ‘Toen ik dat weer zag... alles kwam boven. Álles kwam boven. Voor dit album heb ik zoveel van mezelf gegeven, zoveel zelfs dat ik twee van mijn grootste liefdes ben kwijtgeraakt. Die woorden lieten mij janken als een kind. Superheftig, maar ook supermooi.’ 

Een nieuw album (na debuutplaat Tussen Licht en Lucht) liet zeven jaar op zich wachten. In interviews heeft hij vaak moeten uitleggen waarom het zo lang duurde. Het simpele antwoord: de verhalen wa­ren er niet. Het leven van Typhoon was ‘te comfortabel’. ‘Een artiest hoeft niet zozeer te lijden, maar hij heeft wel frictie nodig. A, b en c: hout en twee steentjes om een vonk te creëren. Ik had te weinig fric­tie in mijn leven.’

Ik had te weinig fric­tie in mijn leven

Op zoek naar frictie zegde Typhoon zijn huis in de Zwolse wijk Assendorp op. Twee en een half jaar leefde hij vervolgens vanuit zijn auto en sliep hij bij vrienden. ‘In het begin voelt zo’n zwer­vende levensstijl romantisch, maar al snel wordt het heel vervelend’, weet hij nu. Met zoveel tijd voor zichzelf kon hij wel goed nadenken over wie hij was. Hij kwam er niet uit. En van de oorsprong van hip­hop, zijn genre, wist hij evenmin genoeg, vond hij. Hij is een ‘kind van de hiphop’, maar wist niet eens wie zijn ouders, grootouders, over­grootouders zijn. Op reis naar onder meer Suriname, New Orleans, Kenia en Australië, vond hij antwoorden. 


Glenn ‘Typhoon’ de Randamie wordt in 1984 geboren in ’t Har­de, een dorpje nabij Zwolle. Hij is na Kevin (‘Blaxtar’), Earl­randall (‘O­dog’) en Sharon (‘Dinopha’) het vierde kind van Imro de Randamie, een onderofficier van het Surinaamse le­ger, afkomstig van het platteland, en de stadse Marlene Anches. In 1970 vertrekken ze naar Nederland, waar betere carrièremogelijkhe­den voor Imro in het verschiet liggen. Ze betrekken een ‘klein maar leuk huurhuisje’ in ’t Harde. Dat huisje wordt niet lang daarna gevuld met vier energieke kinderen.

De hele familie is muzikaal: vader Imro speelt saxofoon, moeder Marlene zingt in een koor en Kevin begint al vroeg met het schrijven van rapteksten – hij zal later als Blaxtar succes hebben met het album Ozmoses. Er klinkt altijd muziek in huize De Randamie. Typhoons ouders draaien vooral Surinaamse poku of Amerikaanse soul; veel Otis Redding. Op zolder, waar Typhoon tot zijn achtste een slaapkamer deelt met oudste broer Kevin, klinkt er hiphop. Hib haab, als je het op z’n Typhoons, in goed Amerikaans uitspreekt.

Foto: Casper Rila

‘Je oudste broer is je voorbeeld, dus luisterde ik goed naar de mu­ziek die hij luisterde. Kevin speelde vooral Noord­-Amerikaanse East Coast­ hiphop: EPMD, Redman, Wu­Tang, Boot Camp Clik. Kenmer­kend was de rauwheid: het is wat het is. Daar hield ik van. En vooral ook van de urgentie, het wíllen vertellen. Toch ontwikkelde ik meer een smaak voor westkust­hiphop, die wat melodieuzer was, meer funk: Dre, Snoop [Dogg], George Clinton met z’n P-­funk [kort voor Clintons muziekcollectief Parliament­ Funkadelic, waarvan de stijl pure funk werd genoemd]. Ik ben altijd van de melodie geweest.’ 

Ik ben altijd meer van de melodie geweest.

De broers praten er onderling niet veel over, omdat, nou ja, Kevin en Glenn zeven jaar schelen en een grote broer niet altijd zin heeft in zo’n nog onwetend mannetje. De slaapkamer van de broers wordt gescheiden door een grote kledingkast en het gedeelte van Kevin is ‘heilige grond’. Maar dat geeft niet, de muziek is goed te horen en is lesstof op zichzelf. ‘Je pikt het toch op. Je wordt aangetrokken tot het ritme. Je vóélt het ritme.’ 


Typhoon groeit op in een tijd die nu de gloriejaren van de hiphop wordt genoemd, aangewakkerd door Dr. Dre – eerst als voorman van N.W.A. (Niggaz With Attitude), in 1992 met zijn eigen plaat The Chronic (‘It’s like this and like that and like this and uh’). Zelf geïnspireerd door onder andere George Clinton, helpt Dre op zijn beurt Snoop Dogg en Eminem in het zadel. In de­ zelfde periode komt ook Wu­Tang Clan bovendrijven: G­funk (gangsta-funk), met bijbehorende kledingstijl.

‘De dikste hits werden gescoord door de jongens met de grootste kettingen,’ herinnert Esquire’s muziekprofessor Guuz Hoogaerts zich. ‘Eind jaren zeventig begon hiphop met feest­hiphop aan popu­lariteit te winnen. Breaks achter elkaar en daar overheen ‘throw your hands in the air and wave ’m like you just don’t care' -­ veel dieper dan dat ging het niet. Grandmaster Flash is ook begonnen als feest­-dj, maar hij kwam in ’82 met The Message, dat juist gekenmerkt werd door grimmige teksten van rapper Melle Mel over geweld, drugs en armoede (‘Don’t push me ’cause I’m close to the edge / I’m trying not to lose my head’).

Vijf later zette Public Enemy voor het eerst de bloed­serieuze kant van hiphop op de kaart met maatschappijkritische rapteksten. Die waren er gerust ook eerder, maar ze stelden toen weinig voor, waren op het sloganeske af. De mannen van Public Enemy waren zich be­wust van hun zwarte geschiedenis. De teksten waren politiek gela­den, hadden vaak rassenkwesties als onderwerp. [Voorman Chuck D zou het aankaarten van serieuze onderwerpen in hiphopteksten later ‘black CNN’ noemen.] Wat voorts bijzonder was, was dat ze ook de geschiedenis van hun eigen muziekgenre goed kenden: er werd druk verwezen naar Last Poets, Gil Scott­ Heron, Maya Angelou; dat soort dichters.’

Feest-­, gangster­- en maatschappijkritische hiphop bestond en be­staat naast elkaar. In de jaren negentig kwam daar volgens Hoogaerts nog de introspectieve soort bij, die zich voor het eerst manifesteerde in De La Souls Me, Myself And I. ‘De beste hiphop die ooit is gemaakt. De leden van De La Soul durfden in zichzelf te graven, te rappen over hun eigen onzekerheden.’ 


De teksten die Typhoon uit de stereo van zijn broer hoorde ko­men, strookten niet met de dagelijkse gang van zaken in ’t Har­de, zou je denken. Toch hebben ze hem gevormd. ‘Ik voelde de echtheid, de drang om te vertellen wat er met jou en je omge­ving gebeurt. De delivery, man. Ik ben verliefd geworden op de hip­hop waarin een verhaal wordt verteld met onderliggend een heel eenvoudige beat. Hiphop die niet wordt volgepropt, maar ruimte laat voor het verhaal. Je kunt met één hand een beat maken [Typhoon slaat ritmisch met zijn vuist op tafel] en dan met de andere [slaat nu ook met een vlakke hand, tussen de maat van de vuist]... je hebt er níets voor nodig. Alleen jezelf, en de urgentie om je te uiten. Beautiful, man. Daarmee... doordat ik dat hoorde, dat voelde... daar is het allemaal mee begonnen.’

Voor hiphop hebt je níets nodig. Alleen jezelf, en de urgentie om je te uiten.

Foto: Casper Rila

Wonend aan de rand van een bos, was de jonge Typhoon vaak in zijn eentje buiten te vinden. Zijn broers noemden hem tree hugger: bomenknuffelaar. Dat doen ze nog steeds, trouwens. Hij kon uren in het bos zitten. Nadenken. Kijken. Voelen. Omringd door bomen voelde hij ‘de cellen in [zijn] lichaam veranderen’, zijn energie werd opgeladen. Bomen vertelden hem verhalen, die hij vervolgens op papier zette. Terug in huis las de tie­ner voor aan zijn ouders wat hij geschreven had. Zijn vader mist dat nu, zou willen dat de Typhoon van nu dat nog steeds deed. Tegelij­kertijd maakte hij zich er toen zorgen over: een kind dat zo zwaar­ moedig in het leven stond, ging dat allemaal wel goed? Het ging juist beter dan ooit, zegt Typhoon. ‘Ik was een rustig en timide kind dat stotterde. Als ik bleef hangen in een woord, dan hield ik mijn mond verder maar. Het was voor mij een openbaring dat ik mij in hiphop wel kon uiten.’

Als broer Blaxtar in hiphopformatie Rudeteenz zit, haalt hij zijn jongste broer erbij, die dan vijftien jaar oud is en zijn hiphopcarrière van de grond ziet komen. Voor het eerst voelt Typhoon de samenho­righeid die hij herkent van de Amerikaanse formaties. ‘Ik keek naar Wu­Tang, Rough Rider, Def Squad. Al die squads hadden zo’n menta­liteit van: “We rollen met elkaar. Fuck, wie kan ons aan”, weet je wel? Dat vond ik geweldig. Ik lette extra op het jongste lid van een groep, zoals Baby Sham van Flipmode Squad: hoe kunnen zij zich uiten, hoe maintainen zij? Ik was natuurlijk de benjamin bij Rudeteenz. Ik mocht niet eens alle optredens meedoen, omdat mijn moeder die te laat vond.'


Typhoon, nu dertig, kijkt uit het raam van zijn bescheiden boer­derijhuisje net buiten Zwolle. Niets dan bomen en weilanden om hem heen, pas in de verte een autoweg. ‘Hier ben ik nou al die tijd naar op zoek geweest. Je hoort hier de vogels, ziet af en toe een hert voorbij rennen. Mijn ambitie zet mij soms in lichterlaaie, maar ik ben een kalm persoon. In de periode dat ik geen huis had, reed ik zo veel mogelijk over landelijke wegen naar optredens toe. Door het raam keek ik dan naar dit soort huisjes.’

Typhoon heeft nooit het leven geleden van om de oren vliegende kogels, bitches en gang fights. Zijn toon is vrolijk, maar zijn teksten zijn van de maatschappijkritische en introspectieve soort – Lobi Da Basi zit er vol mee. De eerdergenoemde reis, de zoektocht naar zichzelf en de hiphop bepaalden de melodie. In New Orleans be­greep Typhoon ineens waar het allemaal om draait, waar het wringt in Nederland:

‘Ik heb joods bloed, Chinees, Hindoestaans, Creools en Portugees bloed. En met mij is ook dit land een mix van culturen. Maar in plaats van die te omarmen wordt elke Nederlander opgevoed met de schoenmaker­-blijf-­bij-­je­-leest­-mentaliteit. In New Orleans spreken ze van ‘the gumbo’, naar de culinaire stijl gumbo: gerechten waarin ingrediënten en gebruiken uit allerlei culturen samenkomen. Ze zijn trots op die mix, het is een voorwaarde voor hun muziek. Toen begon ik het te vatten. Dat is Suriname ook! Dat ben ik ook! En als ik een mix van allerlei culturen ben, dan kan ik dus ook muziek maken met invloeden uit verschillende stijlen en culturen!’

Ik mocht niet eens alle optredens meedoen, omdat mijn moeder die te laat vond.

 

Precies dat heeft hij gedaan met zijn tweede album. Lobi Da Basi is soul, jazz, surfrock, kaseko (Surinaamse dansmuziek), blues en hip­ hop. Typhoon kreeg er twee Edisons voor (beste album, beste hip­ hop). Overal werd de plaat bejubeld, maar in de kantlijn hield het muziekjournaille zich bezig met de vraag of het nog wel hiphop is wat Typhoon maakt.

Op verzoek van Esquire heeft ook Hoogaerts na­ gedacht over Typhoons plek in het huidige muzieklandschap: ‘Hij brengt veel bij elkaar, ik ken geen hiphopartiest die dat zo goed en zo breed doet. Dat maakt dat zijn eerste album veel meer een hiphop­ album was dan zijn laatste. Als artiest beantwoordt Typhoon in niets aan het beeld van wat een rapper is – het archetype dan. Hij zit veel meer in de jazztraditie, en in het verlengde van wat popdichters van wel­ eer deden: John Cooper Clarke, Ton Lebbink en Bart Chabot in hun beginjaren. “De dag dat de derde wereldoorlog ook aan ons land niet onopgemerkt voorbijging” – prachtig. Ik moet nu ook ineens denken aan de jaren zeventig-cabaretiers: Freek de Jonge, Bram Vermeulen. Typhoon heeft eenzelfde geëngageerde boodschap, maar dan zonder de grappen.’ 


In Typhoons huiskamer staan een keyboard en gitaar. Hij speelt niet echt, maar ‘pielt’ erop, legt hij uit. Hier worden melodieën getest, voordat hij die aan zijn producers Dries of A.R.T. voorlegt. Het klopt dat hij inspiratie haalt uit cabaretiers, zegt Typhoon. ‘Omdat ze zo goed omgaan met de suspense in hun show. Ze hebben shit te vertellen, maar hun publiek komt voor een lach. Hoe gaan ze daar mee om?’

Ik wil ook 'hitten', geloof me. Maar de boodschap moet wel aankomen.

Typhoon worstelt met hetzelfde. Als een dominee van de liefde geeft hij in zijn optredens het publiek een boodschap mee. Soms sluit hij zelfs af met Liefste, het meest breekbare nummer van zijn album. Waar elke andere artiest met zijn grootste hit of grootste bang een show afsluit, laat Typhoon liever de boodschap naechoën. Die bood­schap, die voornamelijk voorschrijft jezelf te zijn, is voor hem ‘ont­zettend belangrijk, natuurlijk man!’

Daarom verpakt hij die ook zo zorgvuldig, als een tweede laag onder een vrolijke boventoon. In het VPRO­-programma 24 uur met... maakt hij een vergelijking met de laatste, niet uitgedeelde stoot van Muhammad Ali tegen George Foreman in de Rumble in the Jungle: ‘In de laatste ronde deelt Ali een klap uit die Foreman doet wankelen. Heel even zie je Ali daarop twijfelen: zal ik [de genadeklap] uitdelen? In plaats daarvan houdt hij in en valt Foreman uit zichzelf neer. Het geeft die overwinning zoveel meer impact. Ik wil ook hitten, geloof mij, maar de boodschap moet wel aankomen.’ 


In de keuken, terwijl hij een kop thee zet, tompoes erbij, neuriet Typhoon. Wat de interviewer van de nieuwe D’Angelo vindt. Typ­hoon staat eindelijk weer open voor nieuwe muziek. Lang nam Lobi Da Basi te veel ruimte in in zijn hoofd. Hij kon muziek wel horen, maar er niet naar luisteren. Hij kon het niet voelen. Tot nu. ‘Ken jij nog vette nieuwe muziek? Geef wat aan deze boy dan!’

Foto: Casper Rila

Hij vindt zichzelf een kind van de hiphop. En iedereen die twijfelt aan zijn hiphopgehalte, of die complimenteus zegt dat Typhoon de hiphop ontstegen is, heeft een te beperkte definitie van hiphop, vindt hij. ‘Er is een gruwelijke quote van KRS­ One: “Hiphop is the courage for you to be you.” En dat is het. Hiphop is leven, je hartslag. Het is jezelf zijn. Je eigen verhaal vertellen vanuit een oprechte urgentie. Hiphop is die rivier.’

De rivier – Typhoon begon er eerder op de dag over. Toen hij in Su­riname was, had de Boven Suriname­rivier een ‘zuiverende werking’ op hem, zei hij. Het verklaarde alles. ‘Zoals de rivier zich een weg door het landschap baant, zo voltrekt het leven zich. Het stroomt altijd, maar soms moet je hard zwemmen, soms laat je je even met de stroom meevoeren en soms moet je even aan wal gaan.’

Typhoon heeft lang en hard gezwommen om zijn hoofd boven water te houden, zegt hij nu. Maar ook in rustiger vaarwater bleef hij onverminderd hard zwem­men. Zijn bassist zei in alle ernst een goede week geleden tegen hem dat hij rustiger aan moest doen. Misschien even aan wal komen.

Dus daar zit hij nu. Op het droge, op zijn boerderij waar het prettig stil is. ‘Mijn tijd om met iemand te zijn, de droom van kinderen... De rivier brengt me op plekken. Let it be, het komt vanzelf. Hé, het boer­derijtje heb ik vast.’ 
 

Typhoon
Glenn ‘Typhoon’ de Randamie (6 augustus 1984) groeit op als kind van Surinaamse ouders in het Veluw­se dorp ’t Harde. Op zijn vijftiende haalt broer Kevin (‘Blaxtar’) hem bij de hiphopformatie Rudeteenz, vijf jaar later wint hij als Typhoon de hip­ hopfinale van de Grote Prijs van Nederland. Met Jawat, DuvelDuvel, Opgezwolle en Kubus gaat hij daar­ na op tournee onder de noemer Buitenwesten, om uiteindelijk in 2007 zijn debuutalbum Tussen Lucht en Licht te lanceren. In de zeven jaar die het duurt tot zijn volgende plaat uitkomt (Lobi Da Basi) treedt Typhoon op met New Cool Collective, Opgezwolle en Fakkelbrigade. Met Lobi Da Basi ves­ tigt hij zich definitief in het Neder­ landse muzieklandschap. Recensies zijn zonder uitzondering jubelend en hij wint twee Edisons (beste album, beste hiphop). 

 / 

       rens@renslieman.nl
Rens Lieman is freelance journalist. Zijn werk verschijnt onder meer in NRC Next, Het Parool, Esquire, ELLE en Nieuwe Revu. Lees hier meer verhalen.

meer grote interviews