5 min

10 min

15 min

(typ bijvoorbeeld: Typhoon, technologie, 5 minuten, NRC, reportage)

'Rechtvaardigheid is een buitengewoon glibberig en vaag begrip'

tekst: Rens Lieman, Esquire   |    fotografie: Sebastiaan Westerweel

zoeken

esc om te sluiten    z om te openen

Esquire

mei 2013

tekst

Rens Lieman

fotografie

Sebastiaan Westerweel

leestijd

9 minuten

Na veertig jaar strafrecht heeft meesteradvocaat Gerard Spong geleerd dat de mens in wezen geneigd is het slechte na te streven. Wat leerde hij nog meer? (Esquire, mei 2013)

Voelt u zich een oude rot in het vak?
‘Ja, een beetje. Zelfs de grote, ingewikkelde zaken voltrekken zich inmiddels volgens een voor mij zeer herkenbaar patroon. Je wéét bijvoorbeeld dat het Openbaar Ministerie (OM) vierentwintig uur voor de zittingsfase nog even met een proces-verbaal komt dat niet in het dossier zit.’

U wordt niet meer verrast?
‘In een zaak kan het feitencomplex verrassend zijn, en soms kan ook de uitspraak van een rechter mij verrassen. Maar processtrategieën van mijn tegenpartij, het OM, ver- rassen mij zelden nog.’

Is het dan nog wel uitdagend?
‘Ik heb Moszkowicz daar laatst nog “nee” op horen zeggen, maar ik vind het nog absoluut uitdagend. Door rechtspraak van het Europese Hof verandert niet alleen het Ne- derlands recht, maar ook het vak van een strafrechtadvocaat geregeld. Zo is op een gegeven moment geaccepteerd dat een afwezige verdachte zich door een aanwezige raadsman mag laten bijstaan, een standpunt waar ik in 1980 al eens voor gepleit heb, en heeft een verdachte nu al vóór zijn verhoor recht op rechtsbijstand. Het vak is ook ingewikkelder geworden, en ik ben van mening dat het, nu meer dan vroeger, uitsluitend door specialisten uitgeoefend kan worden.’

Is de reputatie van een strafrechtadvocaat veranderd?
‘Nee, we hebben nooit over een hoge reputatie mogen beschikken. Van oudsher zijn we door de samenleving voor graaiers en ladelichters uitgemaakt, of op zijn minst ge- wiekst genoemd, ook al een woord met zo’n negatieve connotatie. Die reputatie is onveranderd. Als wij onrechtmatige bewijsgaring aantonen ten gevolge waarvan een ernstige crimineel moet worden vrijgelaten, dan is maatschappelijke hoon ons deel.’

U staat bekend om zulke verweren.
‘Ja, en het is volkomen terecht dat ik dat doe! De wet geldt voor iedereen en het is onze taak om fouten in de opsporing en bewijsgaring bloot te leggen. We kunnen in dit land toch niet accepteren dat mensen onterecht veroordeeld worden? Toch krijgen wij daar, die van onze cliënten uitgezonderd, nooit enige waardering voor. Dat heeft iets hypocriets, want ik kan u verzekeren dat iedereen die bij mij komt met een aanklacht voor rijden onder invloed, mij zal vragen te controleren of die ademcontrole wel goed is uitgevoerd. Oppervlakkig geleuter is het.’

Wordt dat beeld van de ijdele, gewiekste advocaat versterkt door advocaten die veel in de media verschijnen, zoals u?
‘Ook dat is flauwekul. In negen van de tien gevallen wordt een advocaat door een programma uitgenodigd, omdat mensen het strafrecht nu eenmaal interessant vinden. Daar komt bij dat ik vind dat als het OM de media gebruikt om een eenzijdige, partijdige boodschap te verspreiden, het best zou kunnen dat ik indien mogelijk en waar nodig in het belang van mijn cliënt wat tegengas geef. Bovendien vind ik dat de common man mee moet kunnen denken over straf- rechtelijke ontwikkelingen zoals het gebrui- ken van een kroongetuige als bewijsvoering. Dan zie ik het als juridische voorlichting’

Foto: Sebastiaan Westerweel

Hing u een zeker idealisme aan toen u ervoor koos strafrechtadvocaat te worden?
‘Nee hoor, ik hanteer mijn hele leven een nuchtere er-moet-brood-op-de-plank-komen-mentaliteit. Ik vind wel dat elk mens recht heeft op rechtsbijstand, maar dat zou ik geen idealisme willen noemen alswel een elementair rechtsstatelijk recht.’

Is uw defintie van rechtvaardigheid veertig jaar lang hetzelfde gebleven?
‘Ik ben geneigd te zeggen van wel, ja. Maar rechtvaardigheid is een buitengewoon glibberig en vaag begrip. Er is een formele en een materiële kant. Of een feit strafbaar is, en zo ja, wat voor maximale straf daar voor staat, is een materiële discussie over rechtvaardigheid. Mijn kijk op de formele definitie van rechtvaardigheid laat zich het best samenvatten in artikel zes evrm [Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens]: het recht op een eerlijk proces.'

Bent u ooit naïef geweest?
‘Oh zeker wel, op het persoonlijke vlak. Bij het uitoefenen van mijn vak heb ik nooit aan de ziekte naïviteit geleden.’

Is uw mensbeeld veranderd?
‘Mijn mensbeeld is al sinds mijn studietijd een beetje cynisch. Ik heb mij toen ontdaan van religieuze ballast en ben zeer kritisch naar zowel religie als oorlogen gaan kijken. Beide zijn een gesel van de mensheid. Oorlogen die op wankelende of invalide gronden gevoerd werden – Vietnam, Irak, Afghanistan; noem maar op – en kerkleiders die oorlog propageren om religieus gelijk te krijgen, dát heeft mij cynisch gemaakt.’

Ik meen dat ieder mens geneigd is het slechte na streven

Heeft uw werk dit mensbeeld nog beïnvloed?
‘Het zal er nog cynischer door geworden zijn. Strafrechtadvocaten worden dag in dag uit met de meest deprimerende zaken van de mensheid geconfronteerd.’

Is de mens in basis goed of slecht?
‘Ik meen dat ieder mens geneigd is het slechte na streven, en dat hij het goede soms en met veel moeite de overhand kan laten krijgen.’

Dat is inderdaad vrij cynisch.
‘De mens is nu eenmaal behept met vrij oncontroleerbare driften zoals de seksuele drift, hebzucht en jaloezie, om er maar een paar te noemen. Dat zijn de driften waaruit de meeste misdrijven voortvloeien. De seksuele drift kan leiden tot ontucht, door jaloezie wordt er bij het leven gemoord en hebzucht zorgt voor een bloeiende fraudepraktijk. En dan heb ik het nog niet eens over de onontdekte criminaliteit. Mensen zijn helemaal niet zo braaf, voor negentig procent zijn we allemaal grote of kleine criminelen.’

Wie waren uw grootste leermeesters?
‘Ik ben in mijn studiejaren behoorlijk gevormd, vooral door mijn hoogleraar strafrecht, Just Enschedé. En mijn toenmalige patroon [ervaren advocaat die een advo- caatstagiair onder zijn hoede neemt] heeft mij in Suriname juridisch-technisch zeer streng opgevoed. Ik heb veel van hem geleerd, vooral van zijn gevleugelde motto: koop élk vakboek, want vroeg of laat zullen ze zich allemaal in een zaak uitbetalen. Ik heb mij daar aan gehouden.'

'Aan de bibliotheek van mijn kantoor geef ik elk jaar een kleine dertigduizend euro uit. Een enkele keer leer ik ook een les uit een gewone, Amerikaanse speelfilm. Uit het prachtige Presumed Innocent van Scott Turow leerde ik dat je heel voorzichtig moet zijn om als advocaat een vooroordeel te vormen over het bewijs en je cliënt – het beginsel beyond reasonable doubt wordt hier goed uitgedragen. Prachtig was ook Al Pacino in ...And justice for all. In het New York night court, waar een advocaat twintig zaken in hoog tempo moet afhandelen, zegt hij tegen elke cliënt: “You’ve got five minutes to tell me the truth.” Ik heb daar ook een gewoonte van gemaakt.’

U wilt van uw cliënten weten of ze schuldig zijn of niet?
‘Ja. Vanaf mijn allereerste zaak heb ik daar altijd naar gevraagd.’

Waarom?
‘Omdat ik dan een betere of meer passende opstelling in mijn verdediging kan innemen. Moet ik bijvoorbeeld een bewijsverweer voeren of een strafuitsluitingsgrond? Als iemand een doodslag heeft gepleegd en het bewijs over het daderschap is huizenhoog, zal ik eerder, indien van toepassing, een beroep doen op psychische overmacht. Ik kan dat niet doen als ik niet weet of mijn cliënt het gedaan heeft en hij het feit ontkent.'

Ik heb nooit een ethische misstap begaan

Heeft u ergens spijt van?
‘Ja, dat ik sommige cliënten te weinig heb gedeclareerd.’

U maakt een grapje.
‘Nee, nee, bittere ernst. Soms ben je coulant tegenover een cliënt en krijg je later stank voor dank. Dan vinden ze bijvoorbeeld dat ze nog te veel betaald hebben, of dat je nog een aantal andere verweren had moeten voeren. Spijt heb ik nooit gehad, hooguit heb ik af en toe een beetje last van napleiten: in de auto bedenken dat je een argument iets meer had kunnen uitdiepen, of een zinnetje wat anders had kunnen uitspreken, zoiets.’

Als u nergens spijt van heeft, heeft u veertig jaar lang elke zaak goed gevoerd.
‘Dat vind ik dus ook, dank u wel voor het compliment. Ik werk heel hard en besteed ontzettend veel tijd aan de voorbereiding van mijn verdediging. Ik heb altijd diepgang nagestreefd. Diepgang betekent bijvoor- beeld dat ik nooit zonder pleitnota naar een zaak ga, zoals veel andere ervaren advocaten doen. Ik vaar niet louter op routine.’

Heeft u een schoon geweten?
‘Ik dacht het wel ja! Denkt u dat ik misdrijven gepleegd heb?’

Gewetenswroeging zou ook op kunnen treden bij ethische kwesties.
‘Ik heb nooit een ethische misstap begaan. Dat komt doordat ik zowel in Amsterdam als in Den Haag altijd zeer begeisterde, intelligente advocaten om mij heen heb gehad. Dat is misschien mijn geluk geweest. Ik heb elke dag op mijn kantoor intercollegiaal overleg, waarin we vakinhoudelijke en ethische discussies voeren. Die overleggen zie ik als een waarborg voor ethisch correcte keuzes.’

U heeft ooit gezegd dat een strafrechtadvocaat niet eens een geweten hóéft te bezitten. 
‘Correct, maar met het klimmen der jaren moet ik die uitspraak toch iets nuanceren. Bij het uitoefenen van je vak moet je wel een geweten hebben, maar een advocaat moet geen moreel oordeel vellen over de handelingen van zijn cliënt. Alleen zo kun je oorlogsmisdadigers, terroristen en moordenaars verdedigen. Een geweten zou daarbij een belemmering zijn.’

ik zou een zeer autoritaire [minister van Justitie] zijn

Klopt het dat een baan als minister van Justitie binnen handbereik was?
‘Pim Fortuyn heeft mij in zijn politieke hoogtijdagen voor die post gevraagd, ja. Ik heb er over nagedacht, maar de nadelen bleken groter dan de voordelen. Ik vond het financieel onaantrekkelijk, ik had diametraal andere opvattingen over Fortuyns vreemdelingenbeleid, ik haat nachtelijk vergaderen en ik zou een zeer autoritaire bestuurder zijn - wellicht mijn enige psychische defect. Vooral dat laatste maakt je ongeschikt voor een vak waarin je met zoveel overlegstructuren rekening moet houden.’

Wat zou u veranderd hebben als minister van Justitie?
‘Betere vergoedingen voor strafrechtadvocaten, ten eerste. Ik zou ook bepaalde procedures veranderen. Het invoeren van videoprocedures bijvoorbeeld, zodat niet meer van heinde en ver verdachten moeten worden aangevoerd. Ik zou advocaten sneller toegang verlenen tot het volledige dossier. En ik zou cosmetische veranderingen doorvoeren: de toga mag weg, en het plateau waarop de rechter zit ook - rechter en advocaat behoren op dezelfde hoogte te werken.’

Welke zaken hebben een maatschappelijk belang gediend?
‘De zaak uit 1985 over de aanvaarding van euthanasie, die ik samen met Eugène Sutorius gevoerd heb. De Hoge Raad heeft uiteindelijk euthanasie erkend onder bepaalde omstandigheden, de zogenaamde noodtoestand. Anderhalf jaar later heb ik gepleit voor een verruiming daarvan, zodat een arts bij een medische exceptie lege arte [volgens de regelen der medische kunst] euthanasie mag uitvoeren. Dat werd verworpen, maar is door D66 tien jaar later alsnog bij wet ingevoerd. Dat vond ik maatschappelijk een van de meest belangrijke processen, als ook persoonlijk mijn zoetste overwinning.’

Is uw carrière geslaagd?
‘Ik vind van wel, al is het aan anderen om daarover te oordelen. Maar tot op de dag van vandaag heb ik het naar mijn zin en ik heb bepaalde successen geboekt waar ik in een onbescheiden bui best trots op ben – ik refereer nog een keer aan de euthanasiezaak.’

Wat heeft u geleerd?
‘Geduld opbrengen en nimmer je strijdlust verliezen. Soms moet je decennia wachten en strijden om je gelijk te krijgen.’

 / 

       rens@renslieman.nl
Rens Lieman is freelance journalist. Zijn werk verschijnt onder meer in NRC Next, Het Parool, Esquire, ELLE en Nieuwe Revu. Lees hier meer verhalen.

meer grote interviews