5 min

10 min

15 min

(typ bijvoorbeeld: Typhoon, technologie, 5 minuten, NRC, reportage)

Leven in de lobby!

Ineens is er weer reuring in de hotellobby. Zullen vervlogen tijden herleven, daar in de huiskamer van de wereldburger?

tekst: Rens Lieman, ELLE Eten   |    fotografie: Netflix | ELLE Eten, september 2016

zoeken

esc om te sluiten    z om te openen

ELLE Eten

september 2016

tekst

Rens Lieman

fotografie

Netflix

leestijd

5 minuten

Wie zowel de charme als de treurnis van een hotelbar wil begrijpen hoeft slechts een film met Bill Murray erin op te zetten.

In Lost in Translation (2003) is de skylounge van het Park Hyatt-hotel de enige plek in Tokio waar Murray’s personage ‘Bob Harris’ (en Scarlett Johansson’s ‘Charlotte’) niét in de war zijn van wat er om hen heen gebeurt. Bekende drankjes, bekende muziek. Zowel de heimwee als de liefde bloeit er op, voor zover die twee in het verhaal van Sofia Coppola niet hetzelfde zijn.

Diezelfde Coppola schreef samen met Murray de Netflix-kerstspecial A Very Murray Christmas, met andermaal een hotelbar als decor: de Bemelman’s bar in het New Yorkse hotel The Carlyle, waar Murray een gezellig bacchanaal aanvoert van warme brandewijn, een bruidstaart, champagne en een ‘soiled kimono’.

Je moet weten: de muurschilderingen in de bar (van auteur Ludwig Bemelman), als ook de rode double beasted-jasjes van het barpersoneel, zijn geen filmrekwisieten. Bemelman’s ziet er werkelijk zo uit. De reuring is wel fictie, al was dat vroeger anders.


The Peacock Alley, een van de bars in het Waldorf-Astoria in New York, dankt zijn naam aan de bont uitgedoste hotelgasten die zich schuifelend over de overloop richting de lobby begaven. Met nog zo weinig knappe bars en restaurants in de stad, was uit eten gaan begin twintigste eeuw nog tamelijk ongewoon. In de hotellobby kon het, en wel in een entourage van koperen bars, leren fauteuils en tafels met witte lakens. Dat trok ook niet-hotelgasten aan.

‘Iedereen die iets voorstelde of zich zo wilde voelen, kwam in die tijd naar deze bar’ zegt Frank Caiafa, barmanager van het huidige The Peacock Alley, die voor zijn boek The Waldorf Astoria Bar Book de geschiedenisboeken indook. ‘Politici, journalisten, honkbalspelers, boksers… Maar ook mensen uit andere lagen van de samenleving, die misschien aangetrokken werden door het gratis lunchbuffet bij je cocktail [á $0,20]. Wat ook hielp: we waren de hele dag open. Daytime drinking was in die tijd nog sociaal geaccepteerd. Ken je de uitdrukking: a three martini lunch?’

Door de drooglegging in 1920 floreerde de hotelbar, zij het buiten de Verenigde Staten. Werkloos geraakte Amerikaanse bartenders vertrokken naar Londen en Parijs om daar in de hotelbars te werken. Hun kennis over de Amerikaanse stijl van drinken (cocktails met ijs, kort gezegd) reisde met hen mee, ingrediënten en gebruiken waarover ze in Europe leerde, gingen in het hoofd weer mee terug toen de drooglegging werd opgeheven. Aan de andere kant van de bar gebeurde hetzelfde. Dorstige Amerikanen op reis belandden al gauw in de hotelbar, want waarom het lessen van de dorst verder uitstellen? Laat het feest beginnen.

Menig culinaire klassieker is in de hotellobby ontstaan (of daar populair geworden): de Sidecar-cocktail in het Ritz Hotel in Parijs; Eggs Benedict in het Waldorf-Astoria; de Hanky Panky in het Britse The Savoy; de Waldorf-salade… De migratie van zowel het personeel als de gasten was de drijvende kracht daar achter, maar wat ook hielp, zegt Caiafa: ‘De budgetten zijn doorgaans groot in een hotel. Als er een nieuwe vermout in de stad kwam, of als een gast sprak over een exotisch ingrediënt, dan werd dat gelijk ingekocht.’

Van die budgetten kon ook een uitbundig interieur bekostigd worden. Grote kroonluchters, kunst aan de muur, sierplafonds met bladgoud; in de hotellobby is niets te gek.


Door de jaren heen heeft de hotellobby echter de fakkel der culinaire vooruitgang en algehele opwinding overgedragen aan de onafhankelijke bars en restaurants. Getalenteerde bartenders en uitheemse ingrediënten waren eind twintigste eeuw niet enkel meer voorbehouden aan hotels.

Zo ook in Nederland. Cocktailbar Door 74 leerde ons wat uitgaan in een speakeasy betekent, restaurant Le Hollandais wat Frans dineren is. In de hotellobby glom het koper weliswaar nog mooi en werd de gast met U aangesproken, reuring moest men elders zoeken.

Het is natuurlijk sowieso een moeilijke match: de hotellobby, vol pracht en praal, en de Nederlander, die meer ervaring heeft met de campingdisco dan met een hotelbar, liever op de zaak een boterham eet dan een lunch van drie martini’s drinkt. Maar anno 2016 werken hotels hard om hun lobby weer in de gratie te laten komen.

Neem The Lobby, het buitengewoon goede restaurant van Hotel V. Hun stijl, in de woorden van mede-eigenaar Mirjam Espinosa: ‘Een gezellige, laagdrempelige hotellobby met een boekenhoek en open haard waar niet alleen de hotelgast zich thuis voelt, maar ook de Amsterdammer. Daar schortte het volgens ons aan in Nederland. Hotellobby’s hadden tot een paar jaar geleden vaak iets stijfs, als niet-hotelgast ging je er niet zomaar heen. In New York en Londen zagen we dat het bedienend personeel heel kundig en professioneel was, maar dat hun persoonlijkheid niet werd weggestopt onder strenge etiquette.’

Er zijn meer nieuwe hotellobby’s die het stoffig geworden imago van zich af proberen te schudden. The Pressroom in het INK Hotel, Mr. Porter in het W en Lotti’s in The Hoxton imponeren met een Great Gatsby-achtig interieur en live draaiende DJ’s. Soms nog wat meer stijl dan kwaliteit, maar hé, er komt weer leven in de lobby!

Ook in de meer klassieke hotels is verandering zichtbaar. Het Krasnapolsky vroeg een van ’s werelds beste bartenders Tess Posthumus om een nieuwe menukaart voor The Tailor te bedenken. Het Pulitzer schakelde de gelauwerde bartender Andrew Nicholls in om de bar opnieuw op te zetten. In de Verenigde Staten zien we misschien wel de volgende stap: gerenommeerde cocktailbars die gevraagd worden een compleet filiaal in de hotellobby te openen (The Raines Law Room in The William, Dead Rabbit in het Ramble Hotel).

Volgens Nicholls mag er in de hotellobby ‘meer gelachen’ worden. Zolang dat maar gebeurt in een ‘gesofisticeerde entourage, een plek waar je indruk op je gezelschap kan maken en je je comfortabel voelt, niet met je handen hoeft te zwaaien om geholpen te worden’. Hij wil maar zeggen: ‘In je dagelijkse kloffie ergens bier drinken met je vrienden kan elders ook prima.’

De hotellobby nieuwe-stijl is comfortabel maar niet saai, fancy maar niet hoogdrempelig. Met een voortreffelijke, maar gezellige bediening. Wat hopelijk onveranderd blijft, is de reiziger die aan de bar zijn verhalen deelt. Zijn aanwezigheid is misschien wel de voornaamste reden voor een hotellobby te kiezen. Hij zorgt voor wat Espinosa en haar F&B-manager Ard Muntjewerf ‘hotelenergie’ noemen. Laat Muntjewerf het uitleggen: ‘Daarmee bedoel ik dat het niet alleen tussen zeven en negen ’s avonds druk is, zoals in wel meer restaurants, maar er ook later op de avond en vroeg in de ochtend, bij het ontbijt, een buzz is. De hotellobby is altijd gevuld met interessante gasten die verhalen van over heel de wereld met zich mee hebben gebracht. Zo bracht ik laatst mijn avond in The Lobby door met een Texaan de bar. We praatten over wapenbezit en over het geloof en we konden het niet meer met elkaar oneens zijn. Maar hij was zo aardig en open, het werd een mooie avond.’

 / 

       rens@renslieman.nl
Rens Lieman is freelance journalist. Zijn werk verschijnt onder meer in NRC Next, Het Parool, Esquire, ELLE en Nieuwe Revu. Lees hier meer verhalen.

meer achtergrondverhalen